StijnZomer 1

StijnZomer 1

July 1, 2022 Off By admin
  1. StijnZomer 1
  2. StijnZomer 2
  3. StijnZomer 3
  4. StijnZomer 4
  5. StijnZomer 5
  6. StijnZomer 6

“Waar komen al die mensen vandaan?!? Liep de stad jaren geleden niet gewoon leeg als de examens en tentamens achter de rug waren? Mensen die massaal naar het zuiden verdwenen? Lege lome winkelstraten en bij ieder café hetzelfde kleine clubje vertrouwde gasten? De stad lijkt nu wel voller dan ooit!” Joris reikte Stijn een volgend vol dienblad aan en dus cirkelde die maar weer braaf tussen laptoppers, vriendenclubjes, gezinnetjes en seniore koppels door richting het buitenterras aan de achterkant. De vader van het gezin merkte norsig op dat zijn frisdrank in wel héle kleine flesjes kwam. Terwijl hij langzaam het bijbehorende glas braaf halfvol schonk voor de man, zag hij de vrouw hem een vermoeide en verontschuldigende blik geven, en de tienerzoon van een jaar of zestien keek hem vanachter zijn telefoonscherm zowaar even met een schuin lachje aan. “Mijn vader zeurt en jij bent cool”, leek de lach te zeggen. Op Stijns “Alstublieft” kwam geen reactie, uiteraard.

Toen hij de klassieke horeca-dive terug naar binnen wilde doen, werd hij júíst door allerlei wapperende handen en aanroepen van meerdere tafeltjes getackeld, waarop hij dan maar het hele buitenterras afliep voor nieuwe bestellingen. Even een bonnetjesregen binnen bij Joris veroorzaken. Het nog aanwezige gebak- en koekassortiment kende hij uit zijn hoofd, de extra glazen water beloofde hij niet te vergeten en na zeker vier keer uitgelegd te hebben dat Fritz-Cola heus ook lekker is en dat de ijsthee wel degelijk écht huisgemaakt was, kon hij weer richting bar om te zien wat er als eerste weer naar buiten kon. Voor hij zover kon komen wilden echter ook bijna alle tafeltjes binnen een nieuwe bestelling laten opnemen. Bij het laatste tafeltje trof hij Jounaid, samen met een man van zeker 35. “Mijn zaak niet, niet aan denken”, nam Stijn zich voor. Mijn zaak sowieso niet, dacht hij er vilein-glimlachend achteraan.

——-

“Moeten we de Korner niet gewoon dichtgooien?” vroeg Sebas vertwijfeld aan Koos, toen ze samen op de rand van het podium gingen zitten met een ijskoffie. “Nee joh, je moet de naam en formule levend houden. En bovendien kun je het geld goed gebruiken.” “Ja, maar ik kan toch niet blijven leunen op de goodwill van mijn beste vrienden? Zij hebben allemaal andere banen – banen met verantwoordelijkheid ook nog. Ze draaien dubbele levens. Ik voel me daar echt flink ongemakkelijk onder. Wij zijn hier nog wel weken aan het klussen voordat de Kultuur Korner hier in het cultuurcluster open kan. En ik heb nog niet eens een besluit genomen over de toekomst van de huidige lokatie!” “Het is ook wel een beetje een luxeprobleem, vind je niet?” Sebas keek met opgetrokken wenkbrauwen naar zijn vriend. “Je hebt binnenkort twee zaken, je vrienden lopen hun benen uit hun lijf voor je, het gaat je voor de wind…” “Ehh, ja… en?” “Nou, om eerlijk te zijn vind ik dat je zeurt. Ik ben mijn ruimte kwijt hier, ik heb geen alternatief plan, de gemeente heeft nog niks gezegd over de programmering of mijn rol daarin, ik help jou aan alle kanten en het enige dat jij doet is werkelijk iedere dag zeuren over hoe goed het gaat. Jémig!” Hij liep weg en aan zijn roffeltje over het trapje naar buiten hoorde Sebas hoe geërgerd Koos moest zijn.

Het was zó – nog altijd zittend op de rand van het ruw afgewerkte podium, met zijn handen in zijn haar – dat Tom hem een kwartier later aantrof. “Hey, cultuurkoffiemanager, hoe’st nou?” “Ja, begin jij ook nog eens”, zuchtte Sebas diep. “Ik weet juist even helemáál niet meer hoe het verder moet, dus een manager voel ik me al zeker niet.” “Waar is Koos?” “Ja, waar is Koos…? Goeie vraag. Technisch gezien zowel privé als praktisch bij mijn zijde, maar emotioneel vraag ik me dat steeds vaker af…” Tom ging naast hem zitten en legde een arm om zijn schouder heen. “Vertel.” Sebas legde zijn hoofd even op Toms schouder en liet een lange en diepe zucht ontsnappen. ”Hij doet zo miskend, zo zielig. En daarmee creëert hij een kloof tussen ons. Dat ik zijn eerste mannelijke crush ben en dat het dat nog altijd verwart: soit. Dat hij een beetje zijn rol kwijt is in dit clustergeweld: snap ik. Maar dat hij zijn eigen gevoel steeds op mij moet projecteren is wel heel erg vermoeiend. Ik probeer immers ook maar wat. Ik heb zijn steun en goedkeuring nodig. Juist nu!” Tom zweeg even nadenkend. “Weet je,” zei hij toen, ‘ik kén Koos gewoon niet zo goed. Zeg ik een beetje uit schaamte. Ik kom er steeds vaker achter dat ik mensen in mijn naaste omgeving eigenlijk niet daadwerkelijk ken.” En, na een gezamenlijk nadenkend zwijgen: “Wat zegt dat over mij, vraag ik me af…” “Nou, trek het je niet aan, en zeker niet in dit geval, want Koos is ook gewoon zo gesloten als een oester. Zelfs ik weet niet wat er op de achtergrond speelt. Maar daar zal ik me wel in moeten verdiepen, anders loopt het spaak tussen ons heb ik het gevoel.” “Zo erg als met Sven zal het toch niet zijn”, opperde Tom. Sebas gaf hem een plaagstoot met zijn elleboog, die hij handig ontweek.

“Ik ben blij dat je er bent trouwens, want ik voel me schuldig over het inzetten van jouw personeel in mijn zaak.” “Ik kwam eigenlijk voor de krant even een korte tussen-opname doen over het cluster, maar dit klinkt ook nieuwswaardig.” Hij stak zijn tong maar eens uit naar Sebas, maar vervolgde: “Maar ff serieus, ze zijn niet mijn werknemers maar collega’s en vooral erg lieve mensen.” “Zeker, maar ze werken nu voor de zoveelste maal vrijwillig. Dat kan gewoon niet en wil ik ook niet.” “Zullen we er dan vanuit United Colours maar een innovatief zakelijk buurtproject van maken met toeristische en community-impact en vernieuwende consumptiepatroon over gemengde gemeentelijke domeinen? En zal ik je daar een projectfactuur voor sturen?” “Graag. Ze draaien de tent zo goed dat er genoeg ruimte is.” “Deal. Ik ben toch bezig om te kijken hoe het team na de zomer samengesteld zal zijn en met welk programma. Mooie overbrugging ook voor ons.”

Die avond zetten Stijn en Tom koers naar de stad dichtbij, waar ze Bruno van het station haalden. Die had namelijk zijn SUV uitgeleend aan zijn assistent, die indruk wilde maken op zijn vrouwelijke vlam. “Ik voel me net zo’n vader die zijn wagen meegeeft aan zijn zoon om een beetje interessant te doen. Wat vreselijk fout eigenlijk. Zeg mannen, zo ben ik toch niet? Hopelijk?” Hij keek nu gespeeld bezorgd van zijn ene vriend naar de ander. “Tja”, trapte Tom af met een knipoog naar Stijn, “Je hebt de schijn wel meer en meer tegen natuurlijk…” Bruno keek nu wel degelijk een klein beetje gealarmeerd in zijn richting. “Je hebt een heel cluster adviseurs onder je, een assistent, aandelen in de firm, ze hebben je al gevraagd partner te worden, je rijdt in een hele foute wagen en kleedt je alsof je dagelijks met dat ding dwars door de Bijenkorf en de Scotch&Soda rijdt – daddy vibes through the roof.” Bruno legde hierop zijn handen rond Toms hals en deed alsof hij hem ging wurgen. “Bespaar je de moeite, daar kickt hij op”, merkte Stijn droogjes op.

“Te mijner verdediging: ik wil geen partner worden, was liever ook geen teamleider geworden maar dan had ik me moeten ergeren aan alle rotzooi die anders ontstaan zou zijn, en voor mijn stijl moet je bij mijn ouders zijn. Which reminds me…” “Ja zeg, moeten we bij je ouders zijn? Jij bepaalt toch welke stijl je hanteert? Als ik Laurens was gevolgd droeg ik nu ook rode broeken en ribcord en polo’s!” “Which reminds me: jullie zijn uitgenodigd om kennis te komen maken met mijn ouders. En mijn zus en haar vriend. Want zoiets kan nooit klein of los van elkaar.” Bruno trok zijn wenkbrauwen in klaaghouding omhoog. “Wanneer?”, vroeg Stijn, zenuwachtig aan zijn elleboog plukkend. “Nou, zoals te doen gebruikelijk overlegt mijn moeder zorgvuldig, zij het alleen met zichzelf, en worden jullie zaterdag over twee weken verwacht. Geheel vrijblijvend natuurlijk. Als jullie er dan maar zijn, snap je?” Tom schaterde het uit, maar Stijn voelde ineens een siddering langs zijn ruggengraat omhoog kruipen. “’Hallo mevrouw Buruma, wij zijn de mannen van uw zoon?” God, hoe moest dat nu allemaal weer?

De middag daarna zat Stijn beneden in de studio wat te lezen en strepen in het nieuwe coalitieakkoord dat komende werk in de raad behandeld zou worden, toen Marleen de ruimte binnenkwam. Ze leek hem ongewoon rustig en bedachtzaam. “Oliver klaar voor zijn weekendje met de vaders?”, probeerde hij dus maar voorzichtig. “Ja. Jaaa. O ja, zeker.” Na wat heen en weer gedrentel had ze dan blijkbaar toch een besluit genomen. “Stijn, kom je even mee naar de voorkamer?” Ze liep er al naartoe door de gang, hem achterlatend met allerlei vraagtekens boven zijn hoofd. Waarom niet gewoon hier, ze waren nota bene met zijn tweeën. En waarom doet ze zo vaag? Hij liep als op eieren naar de rookkamer en sloot de deur zorgvuldig, gezien hem dat door de benadering van het gesprek door Marleen het meest logisch voorkwam. Hij ging in de andere fauteuil zitten en wachtte af. “Heb je mij ooit als moeder gezien?” “Ehh, het gaat toch heel goed?” “Jawel, zeker wel. Ja, natuurlijk. Dat is ook zo.” “Ik had je, voor zover ik me dat überhaupt nog voor kan stellen, me geloof ik nooit voorgesteld als lesbische moeder misschien? Maar ik weet het eigenlijk ook niet. Waar gaat dit over, je lijkt me niet helemaal jezelf…?” Marleen glimlachte hierop, ondanks zichzelf. “Ja, hoe zou Marie José zichzelf als moeder hebben gezien…” “Wat heeft mijn moeder er nu mee te maken?” “Niks, moest ineens aan haar denken, omdat ik aan jou dacht.” “Hmmm?” “Weet je: Amély wil een tweede kind, maar niet van haar.”

Als Stijn gisteravond in het restaurant met Tom en Bruno al een koude rilling langs zijn ruggengraat had voelen lopen, dan had hij nu de sensatie alsof de fauteuil was veranderd in een vrieselement.